Tien dagen lang sprak ik niet. Geen telefoon, geen muziek, geen boek, geen oogcontact. Alleen stilte. Veel mensen zijn nieuwsgierig naar mijn ervaring en dat begrijp ik. Vipassana roept iets op. Bij sommige mensen een verlangen, bij anderen vooral vragen.
Ik twijfelde even of ik er een vlog van zou maken, maar dat voelde niet passend. Vipassana leent zich niet voor snelle conclusies of losse fragmenten. Het is geen verhaal dat je in een paar minuten samenvat. Bovendien merk ik dat als je er te luchtig over praat, mensen al snel invullen wat het is, of zichzelf gaan vergelijken met iets wat ze eigenlijk niet kunnen vergelijken. Terwijl dat nu juist is wat Vipassana níet wil.
Vipassana gebeurt in stilte, en die stilte is niet zomaar een randvoorwaarde. Het is de techniek zelf. Niet praten betekent dat je niet beïnvloed mag worden door hoe anderen het ervaren. Je hoeft niet te weten wat iemand voelt of denkt. Je hoeft niet te horen of iemand het zwaar heeft of juist euforisch is. Je kunt jezelf nergens mee vergelijken. En dat is precies de bedoeling, omdat Vipassana je uitnodigt om terug te keren naar één plek: je eigen lichaam, je eigen waarneming, jouw sensaties. Zonder oordeel. Zonder goed of fout. Zonder beter of slechter.
Wat ik misschien meteen wil zeggen, omdat mensen daar vaak een beeld bij hebben: stilte was voor mij niet het probleem. Integendeel. Ik ben al mijn hele leven bezig met naar binnen keren. Therapie, persoonlijke processen, lichaamsbewustzijn, voelen in plaats van wegduwen… dat is voor mij geen nieuw terrein. Innerlijke rust is een plek die ik goed ken. In die zin voelde Vipassana zelfs als een cadeau. Een bonus. Geen sociale prikkels, geen drukte, geen buitenwereld die aan je trekt. Alleen maar de uitnodiging om steeds opnieuw terug te keren naar jezelf.
De uitdaging zat voor mij vooral in de strengheid van de vorm. Het ritme. De discipline. Het serieuze karakter. En ook de regel dat je geen contact maakt. Je kijkt niemand aan. Je glimlacht niet even geruststellend. Je geeft geen klein teken van mededogen. Niet omdat compassie niet mag bestaan, maar omdat die uitwisseling een afleiding kan worden. Het kan iets openen tussen mensen, een verlangen naar contact, een behoefte aan bevestiging. Vipassana vraagt juist om nergens aan te trekken en nergens van weg te bewegen. Om in jezelf te blijven en de ander ook volledig zijn eigen proces te laten hebben.
Ik vond dat lastig. Niet omdat ik me eenzaam voelde, maar omdat ik van nature zacht ben en graag een warme aanwezigheid ben. Ik bén iemand die graag met het hart kijkt. En nu mocht dat niet. Niet omdat het verkeerd is, maar omdat deze techniek vraagt om volledige zelfstandigheid. Iedereen draagt zijn eigen sensaties. Iedereen loopt zijn eigen pad. Zonder beïnvloeding, zonder spiegeling.
Vipassana is veel oefenen, dat klopt. En een groot deel daarvan is zittend mediteren. Voor mij zat de grootste uitdaging niet in de stilte, maar in de duurbelasting van het lichaam. Je zit lang, je zit veel, en dat is iets anders dan “even een meditatie thuis doen”. Het is een training in uithoudingsvermogen, in aanwezig blijven bij ongemak zonder daar automatisch op te reageren, en tegelijkertijd ook in het vinden van een houding die echt bij jouw lichaam past.
Maar het is belangrijk om te zeggen: je zit daar niet als een standbeeld zonder ruimte. Je mag je houding aanpassen. Je mag bewegen. Alleen gebeurt dat wel binnen een duidelijke bedding. Je kunt niet zomaar gaan verplaatsen naar een andere plek of locatie zonder toestemming, en liggen is geen optie. Staan kan als het nodig is, maar ook daar word je uitgenodigd om het niet “te veel” te maken. Tussen de sessies door loop je heen en weer naar je kamer, je strekt je benen, je gaat naar het toilet, je drinkt thee. Er is ook vrije tijd. Juist die afwisseling maakt het vol te houden. Alleen… je merkt wel dat de stilte en de eenvoud het lichaam veel helderder laten spreken. Alles wat je normaal opvangt met afleiding, komt nu simpelweg naar voren.
Om een beeld te geven van hoe zo’n dag eruitziet: de dagindeling is elke dag precies hetzelfde. Dat strakke ritme is ook een deel van de techniek, omdat je niet steeds keuzes hoeft te maken en je je volledig kunt richten op het oefenen. Om vier uur ’s ochtends gaat de gong en sta je op. Vanaf half vijf zit je in meditatie, op je kamer of in de zaal. Er zijn vaste meditatieblokken, vaste eetmomenten, een uur vrije tijd in de middag, thee met fruit in de namiddag, en ’s avonds een lezing waarin de leraar uitleg geeft over de techniek. Om half tien lig je weer in bed.
En juist doordat dat programma elke dag hetzelfde is, ontstaat er iets bijzonders. Je hoeft niet meer na te denken over wat er nu komt. Je hoeft niet te plannen. Je hoeft nergens heen. Alles wordt simpel. Je wereld wordt klein. En dan kan het grote werk beginnen.
De eerste dagen begon de training met ademobservatie. Heel eenvoudig en tegelijkertijd streng in zijn eenvoud. Je brengt je aandacht telkens terug. Steeds opnieuw. Niet omdat je iets moet bereiken, maar omdat je leert dat je aandacht te sturen is. Dat je aanwezig kunt blijven zonder meegezogen te worden door elke gedachte. Voor mij voelde dat vertrouwd. Als ik iets fijn vind, is het wel de weg naar binnen. De stilte, de eenvoud, de herhaling. Daar kan ik in zakken. Daar hoef ik geen moeite voor te doen.
Wat het wel deed, was het volume omhoog zetten op lagen die ik in het dagelijks leven wel ken, maar die normaal minder op de voorgrond staan. Niet omdat ze er niet zijn, maar omdat je in het gewone leven vaak een sociale laag over jezelf heen hebt. In stilte valt die laag weg. En wat eronder zit wordt zichtbaar. Heel eerlijk. Heel puur.
Op dag twee merkte ik iets dat mijn hele retreat een andere kleur gaf: geluid in mijn oren. In mijn linkeroor hoorde ik een zoemtoon, alsof er een mug in de kamer zat. In mijn rechteroor hoorde ik een hoge pieptoon, continu aanwezig. Dit geluid kende ik eigenlijk al sinds mijn jeugd. Alleen dacht ik vroeger altijd dat het iets buiten mezelf was. Een mug die ergens rondvloog. Iets dat vanzelf wel weer weg zou gaan. In de stilte werd het glashelder: dit komt van binnenuit.
Dat was niet altijd makkelijk. Het geluid werd ineens iets waar ik niet omheen kon. En ik merkte ook hoe sterk mijn waarneming is. Ik werk met klank, met trillingen, met subtiele geluiden. Mijn gehoor is scherp afgestemd. En juist daardoor kon ik het geluid niet negeren. Het werd een intens ongemak. In het begin voelde het alsof het volume op tien stond. Alsof stilte het geluid niet veroorzaakte, maar zichtbaar maakte. Het was er al, alleen in het dagelijks leven verdwijnt het makkelijker naar de achtergrond.
En precies op dat punt voelde ik de wijsheid van Vipassana. Want Vipassana nodigt je niet uit om ongemak weg te duwen. Niet om het te negeren, niet om het te fixen, niet om ertegen te vechten. Maar om het te ontmoeten. Om naar de sensatie toe te gaan. Om te zien: dit is wat er nu is. Zonder verhaal. Zonder oordeel. Zonder actie. En dat is een kunst. Dat is geen mindset-trucje. Dat is training.
Op diezelfde dag merkte ik nog iets anders, en dat vond ik misschien nog wel confronterender. Mijn geest werd kritisch. Niet een beetje, maar alsof het volume ineens op tien stond. Alles en iedereen werd beoordeeld. Mensen waren te dik. Mensen aten te veel. Mensen liepen te hard op de trap. Het geluid van iemand in de zaal irriteerde me. Alles had een mening. Alles had commentaar. Ik hoorde mezelf en ik schrok ervan, omdat ik mezelf niet zie als een hard mens. Ik ben juist zacht. Ik ben juist warm. Ik probeer altijd de ruimte te houden.
En toch zat dit in mij.
Ik begon me er steeds bewuster van te worden. En ik begon er ook mee in gesprek te gaan. Niet vanuit schuld. Niet vanuit schaamte. Maar vanuit eerlijkheid. Ik zag een innerlijk kind dat ooit gevormd is in kritiek. Op school. In het leven. Een kind dat gepest is. Een kind dat geleerd heeft om zichzelf klein te maken. En datzelfde kind had ooit een overlevingsstrategie ontwikkeld: zelf alvast kritisch zijn, zelf alvast oordelen, zelf alvast “bovenop de wereld gaan zitten”, zodat de wereld jou niet raakt.
Er kwamen ook oude lagen omhoog die minder over concrete gebeurtenissen gingen, maar meer over een sfeer die ik in mijn lijf herkende. Schaamte, bijvoorbeeld. Zo’n oude spanning die zich niet altijd laat uitleggen, maar die je wél voelt. Alsof het lichaam zich herinnert hoe het is om klein te worden, om jezelf in te houden, om je aan te passen. Dat soort lagen kwamen naar boven in de stilte, niet als drama, maar als waarheid. En precies daar vond ik het zo bijzonder: Vipassana nodigt je niet uit om alles te analyseren of te verklaren. Je hoeft niet te gaan graven. Je hoeft niet te snappen waarom. Je leert om te blijven bij wat zich laat voelen, en om het in zachtheid te ontmoeten.
In de lessen wordt gesproken over kwaliteiten die je als mens kunt ontwikkelen om zuiverder te leven, om je geest te trainen richting helderheid en goedheid. De tien pāramī’s. Eén daarvan is tolerantie. En ik wist: dit is mijn pad. Want daar waar ik in het dagelijks leven sociaal en vriendelijk kan zijn, ontdekte ik hier de laag die daaronder schuilgaat. De laag die snel oordeelt. De laag die wil controleren. De laag die snel vindt dat iets anders moet.
Vanaf dag twee begon ik ook stenen te verzamelen. Dat deed ik op mijn vorige retreat ook, en eigenlijk al mijn hele leven. Ook op vakanties nam ik vaak een steen mee. Ik heb thuis meer stenen in mijn kast liggen, als stille herinneringen aan plekken waar ik ben geweest en ervaringen die me geraakt hebben. Niet als bezit, maar als iets tastbaars waar je later nog eens naar kunt kijken en weer even terug kunt voelen: o ja, daar was ik. Daar gebeurde iets in mij.
Ik weet ook dat Vipassana je uitnodigt om niet te hechten. En dat resoneert diep in mij. Juist daarom vond ik het zo interessant dat ik tóch die impuls voelde om stenen te verzamelen. Niet vanuit willen hebben, maar vanuit intuïtie. Alsof mijn handen vanzelf wisten wat ze deden, nog voordat mijn hoofd het begreep.
Later, rond dag vier of vijf, kwam er ineens een inzicht dat me liet glimlachen. Ik dacht: misschien heb ik niet zomaar stenen verzameld… misschien heb ik ze verzameld als symbolische ankers voor mijn sankhara’s. Voor de lagen die loskwamen. Voor het werk dat ik aan het doen was. Niet om eraan vast te houden, maar juist om te herinneren dat het pad zich vanzelf ontvouwt wanneer je blijft zitten, blijft kijken, blijft oefenen.
En er zit nog iets in stenen wat mij altijd heeft geraakt. Stenen zijn voor mij nooit “gewoon stenen” geweest. Als je ervoor openstaat, kun je je afstemmen op stenen. Elke steen draagt iets ouds. Een eigen verhaal. Een eigen trilling. Sommige voelen zacht en rond, andere zwaar en krachtig, weer andere haast licht. In een wereld waarin alles zo snel gaat, zijn stenen misschien wel het meest stille bewijs van tijd. Van vertraging. Van de aarde die gewoon is zoals ze is.
Toen het oefenen verder ging, werd het ook rijker. Niet omdat het ineens “makkelijk” werd, maar omdat mijn waarneming verfijnde. Ik merkte dat ik graag werk met grote vlakken. Dat past bij mij. Ik had meestal vijf tot tien minuten nodig om te landen, even de dag uit mijn systeem te laten zakken. En daarna kon ik echt diep de beoefening in.
Wat voor mij heel fijn werkte, was om te beginnen bij mijn kruin. Daar voelde ik vaak meteen tintelingen. Het voelde als een bevestiging: ik ben aanwezig, ik ben aangesloten, ik ben hier. En van daaruit bewoog ik mijn aandacht door het lichaam. Eerst links, dan rechts, en daarna samen. Hoofd, romp, armen, borst, benen. Soms als twee helften, soms als één geheel. Ik vond het prettig om te voelen waar sensaties zaten en waar minder, en om te merken dat mijn lichaam niet overal “hetzelfde” is. Er zijn plekken die open zijn, plekken die stil zijn, plekken die vol zitten, plekken die pulseren. En juist door daar niets van te vinden, ontstond er ruimte.
Ik merkte dat mijn waarneming niet stopt bij de huid. Soms voelde het alsof ik niet alleen een plek in mijn lichaam waarnam, maar ook de laag eronder. De diepte. De beweging. De stroom. Het levende.
En juist dat levende raakte me zo. Ik voelde mijn bloedsomloop. Ik voelde de pulsatie van bloed door mijn lijf. Soms waren het zachte golven, soms was het alsof mijn hele lichaam als één veld bewoog. Van top tot teen. Niet altijd prettig, niet altijd fijn, maar wel echt. Ik kwam in aanraking met iets wat ik moeilijk in woorden kan vangen, behalve dit: het lichaam leeft voortdurend. Het is niet vast. Het is niet stil. Het is niet één ding. Het verandert.
Dat is ook een van de dingen die in de Vipassana steeds terugkomen. Alles verandert. Geen enkele sensatie blijft. Geen enkele ervaring is identiek. Zelfs wanneer je denkt: dit herken ik, dit ken ik al, is het toch anders. Het lichaam vernieuwt zich voortdurend. Het veld beweegt. En juist die veranderlijkheid is geen probleem, maar een sleutel. Want hoe vaak lijden we niet omdat we willen dat iets blijft? Dat iets fijns niet ophoudt. Of omdat we willen dat iets onprettigs verdwijnt. Vipassana leert je om het midden te vinden. Niet te trekken. Niet te duwen. Alleen te zien.
Het geluid in mijn oren liep ondertussen als een tweede stroom mee. Links die zoemtoon, rechts die hoge piep. Soms stond het volume hoger, soms lager. En ik merkte dat mijn eigen focus er invloed op kon hebben. Als ik te hard ging, als ik te scherp werd, dan werd het geluid ook intenser. Dat was confronterend en leerde me meteen iets heel essentieels: zachtheid is niet zwak. Zachtheid is precies. Zachtheid is wijs.
Ik moest leren dat ik niet hoefde te bewijzen hoe goed ik kon mediteren. Ik hoefde niet naar een bepaald niveau te streven. Ik hoefde niet “expert” te zijn. Ik mocht oefenen. Gewoon oefenen. En in dat oefenen ontdekte ik iets wat me ontroerde: wanneer ik mijn aandacht zachter maakte, wanneer ik de oefening benaderde met lichtheid in plaats van wilskracht, werd het geluid hanteerbaar. Het werd minder dominant. Het ging van een overweldigende aanwezigheid naar iets dat er mocht zijn, zonder dat het mijn hele ervaring overnam. Het bleef irritant, ja, maar het werd niet meer mijn vijand.
En toen gebeurde er iets onverwachts. Op een bepaald moment hoorde ik een ander geluid. Een geluid dat me diep raakte, omdat het zo vertrouwd voelde in mijn werk met klank. Ik hoorde mijn hart. Niet alleen het kloppen, maar een klank. Het was alsof mijn hart een klok werd. Ding dong. Ding dong. Een heel zacht, rond, mooi geluid, bijna als een klankschaal. Het voelde als een verademing. Alsof mijn lichaam me even iets liet horen wat puur was, wat rustig was, wat mij herinnerde aan trilling die niet vecht, maar draagt.
Ik raakte daar niet aan vast. Ik wist dat dat niet de bedoeling was. Vipassana leert je om ook het mooie niet te grijpen. Ook daar geen verlangen op te bouwen. Niet de volgende dag gaan zitten met het idee: ik wil die hartklok weer. Want dat is hetzelfde mechanisme als afkeer. Het is craving. Het is opnieuw willen. Terwijl Vipassana je juist uitnodigt om elke keer opnieuw te komen naar wat er nú is. Zonder verwachting. Zonder herinnering. Zonder vergelijking met gisteren.
Toch voelde dit moment als een cadeau. Niet om het vast te houden, maar om te erkennen. Mijn lichaam heeft klank. Mijn lichaam heeft ritme. Mijn lichaam heeft een taal. En in de stilte werd die taal hoorbaar.
Later in het proces kwam er nog een oefening die ik ongelooflijk krachtig vond. De spinal check. Een oefening waarin je met je aandacht langs de wervelkolom beweegt, van boven naar beneden en weer terug. Niet met een hyperkleine focus, maar breder, alsof je met een zachte bol van aandacht langs je ruggengraat glijdt. Ik vond dit zó’n fijne oefening. Alsof je in één beweging alle zenuwbanen, alle oude lijnen, alle innerlijke paden meeneemt. Ik deed hem één keer naar beneden en één keer naar boven, niet om het perfect te doen, maar om het lichaam wakker te maken in die diepte.
De eerste keer dat ik die oefening deed, voelde ik daarna een shift naar mijn borst. En dat was niet alleen een zachte sensatie, het was echt voelbaar. Alsof er iets loskwam. Er kwam pijn in mijn borsten, en ergens wist ik: dit is beweging. Dit is oud dat omhoog komt. In de lessen werd ook gezegd dat dit soort oefeningen oude sankhara’s naar de oppervlakte kunnen brengen. En ik herkende dat. Want wat daarna kwam, was intens.
Mijn keel was al dagen droog. De lucht daar was droog, en je praat niet, dus alles in het keelgebied wordt anders. Veel mensen moesten hoesten. Ik ook. Maar na die spinal check gebeurde er iets. Het was alsof mijn systeem ineens een grote ontlading kreeg. Ik werd verkouden, en niet een beetje. Mijn neus begon te lopen, mijn ogen brandden, mijn hoofd kreeg druk. Ik voelde me echt beroerd. Het was een enorme sensatie, en precies daardoor was het ook zo’n leerervaring.
Want hoe vaak koppelen we ziekte niet aan ellende? Het is zo geconditioneerd. Ziek zijn betekent: ik ben niet oké, ik ben uitgeschakeld, ik ben ellendig. En ineens zag ik dat Vipassana mij precies hier uitnodigde om iets anders te doen. Niet te denken “ik ben ziek”, maar te voelen “er zijn sensaties”. Niet te vechten tegen het ongemak, maar het te ontmoeten.
Ik heb toen mijn meditatie op mijn kamer gedaan, liggend in bed. Dat was geen luxe, het was noodzaak, want mijn lijf was echt bezig met ontladen. Mijn neus liep leeg, mijn ogen prikten, mijn hoofd stond onder druk en ik voelde me beroerd. Ik ben alleen naar de verplichte meditaties in de zaal gegaan, en verder hield ik mezelf heel klein. Niet omdat ik zielig was, maar omdat ik voelde: dit is wat er nu is, en hier heb ik mee te oefenen.
De volgende ochtend, toen ik op mijn kamer mocht oefenen, besloot ik dit bewust te gebruiken. Heel zacht. Heel precies. Ik ging met mijn aandacht naar mijn neus, mijn ogen, mijn keel, de druk in mijn hoofd. Niet om het weg te krijgen, niet om het op te lossen, maar om het echt te ontmoeten als sensatie. En juist daardoor gebeurde er iets dat ik nooit zal vergeten: de sensaties werden minder. Niet omdat ik ze onderdrukte, maar omdat ik stopte met vechten. Alsof mijn lichaam eindelijk ruimte kreeg om zijn eigen werk te doen.
En dat was een keerpunt. Ik voelde het bijna lichamelijk: dit is waar Vipassana over gaat. Niet over een perfecte meditatie. Niet over bijzondere ervaringen. Maar over vrijheid. Over het loslaten van de automatische koppeling tussen sensatie en lijden. Over het zien dat ik niet hoef te worden meegesleurd door wat ik voel.
Op dag tien gebeurde er weer iets dat ik heel bijzonder vond. Dat is de dag waarop je na de ochtendsessie om tien uur weer mag praten. En je voelt meteen wat er dan gebeurt. Er komt beweging. Er komt geluid. Er komt uitwisseling. Het is alsof de energie zich weer naar buiten mag keren, na al die dagen waarin alles naar binnen gericht was.
En ik merkte: dit is te veel voor mij.
Niet omdat ik mensen niet leuk vond. Niet omdat ik geen verbinding wilde. Maar omdat mijn systeem in die stilte zó open was geworden, zó verfijnd, dat het bijna voelde alsof elke stem door mijn lijf heen ging. Ik ben toen naar mijn kamer gegaan. Daar zat ik met mijn kamergenoot in rust. Gewoon zacht praten, zonder druk, zonder chaos. En dat vond ik heerlijk.
En het mooie is: ook daarin zat een les. Want Vipassana leert je niet alleen waarnemen tijdens meditatie. Het leert je ook waarnemen in het dagelijks leven. Voelen wanneer iets te veel wordt. Je grenzen kennen. Niet stoer blijven zitten omdat het hoort. Maar eerlijk zijn: dit veld is nu niet helpend voor mij. Dit is prikkel. Geen verdieping. Dus ik koos voor rust.
Die kamer voelde op zichzelf al als een bevestiging dat ik precies zat waar ik moest zijn. Ons kamernummer was 111. En er waren van die kleine synchroniciteiten die me deden glimlachen. Mijn kamergenoot en ik geven allebei yin yoga-les. We hadden dezelfde deodorant, zelfs dezelfde kleur. We hadden dezelfde kleur tandenborstel. En er was nog iets heel grappigs: haar achternaam was dezelfde als de plaats waar ik woon. Alsof het universum zachtjes knipoogde. Zo van: ja Daisy, jij hoort hier.
En tegelijkertijd was het niet alleen maar magisch. Het was ook gewoon echt leven. Want wij waren totaal verschillend in één ding: temperatuur. Ik hou van warm. Zij houdt van koud. Ik wilde de verwarming aan en het raam dicht. Zij wilde het raam open en de verwarming uit. En omdat je niet praat, gaat dat in stilte. Ik deed het raam dicht, zij deed het raam open. Ik zette de verwarming aan, zij zette hem weer uit.
En ergens in die dagen gebeurde er iets bijzonders. Zonder woorden vonden we een balans. We begonnen als het ware om elkaar heen te bewegen. Als een dans. Niet vanuit irritatie, maar vanuit respect. Alsof we voelden: jij hebt jouw veld, ik heb het mijne. Ik hoef jou niet te overheersen en jij hoeft mij niet te overheersen. We mogen samen in één ruimte bestaan, zonder dat iemand tekort hoeft te doen.
Als ik eerlijk ben, vond ik dat misschien wel een van de meest menselijke lessen van de hele retreat. Hoe je naast iemand kunt bestaan, in stilte, zonder strijd. Hoe tolerantie niet iets is wat je denkt, maar iets wat je doet. In kleine dingen. In een raam dat open mag en een verwarming die soms aan mag. In ruimte. In zachtheid. In samen, zonder verstrengeling.
En toen kwam dag elf, de dag dat we op mochten ruimen en naar huis mochten. Die ochtend hing er iets in de lucht. Ontlading. Loslaten. Afronden. En ik merkte iets wat ik niet had verwacht: ik kreeg enorme zweetaanvallen. Het zweet gutste letterlijk over mijn lijf. Ik dacht nog: ben ik in de overgang? Wat is dit? Later hoorde ik dat meerdere mensen dit hadden ervaren.
Achteraf voelt dit zó logisch.
Want een tiendaagse Vipassana is geen relaxe meditatiecursus. Vipassana leren, tien dagen lang, is hard werken. Het is oefenen met vastberadenheid. Het is telkens opnieuw terugkomen. Weer gaan zitten. Weer voelen. Weer waarnemen. Weer beginnen. En dat wordt ook zo benoemd. Goenka zegt het heel helder: work hard, work consistently, work patiently, and then you will be bound to be successful.
En ik zie dat zweet nu bijna als het sluitstuk van die tien dagen. Alsof ons lichaam letterlijk zei: we hebben gewerkt. We hebben gedragen. We hebben volgehouden. En nu mag het eruit. Het voelde alsof we ons letterlijk en figuurlijk in het zweet hadden gewerkt, en dat het systeem op het einde nog één keer alles losliet. Oké. Het is klaar. Het mag eruit. Nu mag de integratie beginnen.
Toen Pim me ophaalde, reden we ruim een uur en een kwartier terug naar huis. Natuurlijk vertelde ik hem van alles. Over hoe het was geweest, over de stilte, over wat ik had meegemaakt, over hoe intens het soms was. En ik vroeg hem ook hoe zijn tien dagen waren geweest. Hoe het met hem ging, hoe het was geweest in huis, hoe het ging met de studio, met de vloer, met alles waar hij mee bezig was.
En ik zag hem kijken. Hij probeerde het nog te verbergen, maar ik zag een grijns op zijn gezicht. Een soort trots. Een soort plezier wat hij niet lang kon inhouden. En op een gegeven moment begon hij snel iets te openen op zijn telefoon, want hij kon het natuurlijk niet bewaren. Hij liet me in de auto een filmpje zien van wat hij allemaal had gedaan in de studio.
En ik weet nog dat ik daar zat, in die auto, nog helemaal in de stilte van mijn systeem, en dat filmpje zag… en dat ik voelde: dit klopt. Dit is zo’n diepe vorm van thuiskomen.
Pim had vrij genomen van zijn werk om volledig aan de studio te kunnen werken. En terwijl ik tien dagen naar binnen ging, had hij tien dagen gebouwd. De studio was bijna af.
Toen ik thuis kwam en het met eigen ogen zag, raakte het me. De eikenvloer. Het saliegroen. Het vilt met die zachte structuur. Alles ademde rust. Alsof de ruimte zelf al in een langzame ademhaling zat. En ik voelde meteen: dit is meer dan een studio. Dit is een plek waar je mag landen. Waar je gedragen wordt. Waar het lichaam weer ruimte krijgt.
En ik wist ook meteen: dit wordt mijn oefenplek. Mijn practice. De plek waar ik mijn Vipassana twee keer per dag ga doen, en waar ik afsluit met metta-bhavana. Niet omdat ik iets moet bereiken, maar omdat ik wil blijven herinneren. Omdat ik wil blijven oefenen. Zacht en vastberaden. In het echte leven.
Metta-bhavana betekent het cultiveren van liefdevolle vriendelijkheid. Het is de meditatie van goodwill, waarin je je oefening niet “voor jezelf houdt”, maar de opgebouwde rust en helderheid deelt. Je straalt het uit. Niet als trucje, niet als performance, maar als een natuurlijke beweging van het hart. In de Vipassana-traditie wordt metta gezien als een logisch gevolg van het oefenen: wanneer de geest stiller wordt en schoner, ontstaat er vanzelf ruimte voor compassie, wijsheid en vrede.
Ik hoorde het zo vaak terug in de woorden van Goenka, en ik voelde pas echt wat hij bedoelde toen ik daar zat, na een intensieve oefendag, in die stilte die niet leeg is maar vol: compassion, wisdom, peace. May all beings be peaceful. May all beings be loved.
En dat is misschien wel wat ik het allerliefste wil meenemen. Dat mijn oefening niet alleen over mij gaat. Niet alleen over mijn proces. Maar over wat ik daarmee de wereld in breng. In hoe ik kijk. In hoe ik luister. In hoe ik aanwezig ben. In hoe ik werk. In hoe ik de ruimte houd.
Dat ook deze studio gedragen mag zijn door die energie. Door stilte. Door helderheid. Door zachtheid.
Mogen alle wezens gelukkig zijn.
Mogen alle wezens vredig zijn.
Mogen alle wezens liefde ervaren.
Reactie plaatsen
Reacties
Wat prachtig om te lezen Daisy!
Ik heb genoten van elk woord.
Erg mooie ervaring Daisy en mooi om zo te mogen lezen